Categorie archief: Columns

Column: PLUK EEN ROOS

“Flikker op man, ik woon zelf in “de Baarsjes”. Dit zinnetje zou, naast de Ajaxsupportertjes die nog in hun pyjamaatjes naar Sesamstraat keken toen hij al een seizoenkaart had, het lievelingscitaat worden van de programmamakers rond het overlijden van de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan. Natuurlijk vanwege de onparlementaire krachtterm, uit de mond van een (latere) edelachtbare. En omdat “flikker op man” lekker bekt.

Maar ook om iets anders. Van der Laan doet hier iets wat, bij alle getob over de crisis in de parlementaire democratie/ de kloof tussen burger en politiek/ de communicatie tussen overheid en burger ( enfin, vul verder zelf maar in) een interessante richtingwijzer biedt: hij spreekt een Boze burger tegen.

De programmamakers lieten steeds weer verlekkerd Het “flikker op, man” van de burgemeester zien, maar wat daaraan vooraf ging was ongetwijfeld geschreeuw dat hij makkelijk praten had over de problemen van deze buurt omdat hij natuurlijk in de grachtengordel woonde. Van der Laan liet zich niet op deze manier framen als salon-socialist en zette de Boze schreeuwer publiekelijk neer als loze praatjesmaker.

Dat zijn we niet meer gewend. De meest gangbare reactie van politici is dat ze wat meebuigen. Zeggen dat de criticus “zeker een punt heeft”, dat ze zich dat aantrekken en “zullen meenemen”. Ze kunnen zich van alles “heel goed voorstellen” etc. Wegens slappe knieën of uit onvermogen wellicht het eigen standpunt te verwoorden laten ze de “Boze Nederlander” onweersproken en verlenen hem daardoor status. Ik kwam hem laatst zelfs tegen in de prestigieuze Schoo-lezing. Hij lijkt zich als politieke oriëntatiebron een officiële plaats te hebben verworven. Wie zou het zijn? Bestaat-ie wel? Misschien weet Maxima – die ons ook al eens uit de brand hielp toen we wilden weten wie “ de “ Nederlander was – ons wel te vertellen dat ook deze niet bestaat.

Er zijn ongetwijfeld mensen die tussen de wielen van onze maatschappij zijn geraakt, op een manier die je razend maakt. Het is overigens sterk de vraag –als ik zo zie wat voor types er in de media langstrekken – of dat bovenstaande categorie wel is. Zouden ze echt boos zijn of hebben ze in de sociale media gelezen dat ze dat zijn? Zou je in de feitenvrije politiek en journalistiek soms ook “op afroep “ boos kunnen worden?

Iemand die op “safari” wil in een wijk met andersdenkenden is natuurlijk niet zozeer boos – die is boosaardig. Er zijn er ook bij die je, als je ze aan de hekken ziet sleuren bij een gemeenteraadsvergadering waar ze over noodhuisvesting van vluchtelingen praten, zou willen vragen:”weet je moeder wel dat je hier loopt te schreeuwen tegen de vluchtelingen en weet je ongeveer wat dat zijn?

Kortom: gewone klieren en saggerijnen, verongelijkten en slechtgehumeurden zijn er altijd al geweest. Met ze meepraten, helpt politici niet. Daar worden boze mensen alleen maar wantrouwiger en kwaaier van. Tegenspreken! Daar zitten veel mensen op te wachten. Zoals van der Laan deed. Hij is er alleen maar geliefder door geworden.

En voor de rest op tijd uitlachen. Als mijn broertje vroeger de bokkenpruik op had zongen wij:

Ben je boos?

Pluk een roos!

Zet hem op je hoed,

Dan ben je morgen weer goed!

Het werkte.

 

Siebold Hartkamp

Column: Geluk en zin…

In ons eerste filosofische café van dit seizoen betoogde Menno de Bree dat werk ons niet gelukkig kan maken. Om dit kracht bij te zetten leidde hij ons met een van humor doorspekte en volstrekt logische redenering naar de conclusie dat het leven geen zin heeft. Overigens bespraken we dit met elkaar in een opperbeste stemming. Mij leken veel aanwezigen, inclusief Menno zelf, redelijk gelukkig met hun bestaan. Dat het leven geen zin heeft, leek daar niet zo veel aan te veranderen. Hebben die twee dan wel iets met elkaar te maken?

Op de vraag of ik gelukkig ben, zou ik niet zomaar een antwoord kunnen geven. Zeggen dat je gelukkig bent is net zoiets als zeggen dat je door een groen landschap loopt, terwijl je wel vijftig tinten groen waarneemt. Het leven op deze algemene manier samenvatten haalt de diepte uit onze waarneming volgens mij.

Ons felbegeerde geluk kan eigenlijk niet met zo’n logische en cerebrale benadering behandeld worden, denk ik. Het weekend na ons café las ik een artikel over geluk van Rik Torfs in de zaterdagbijlage van de Trouw. Hij beschrijft daarin een ervaring van Marcel Proust in ‘Contre Saint-Beuve’. De schrijver steekt met vrienden een geplaveide binnenplaats over waarbij zijn blik valt op de oneffen glimmende stenen. Opeens overvalt hem een overweldigend en onverklaarbaar geluksgevoel. In de aanblik van de geplaveide stenen beleeft hij een eerdere ervaring, een herinnering. Proust noemt dit ‘resurrection’…. verrijzenis. Bij die verrijzenis is het gevoel zuiverder dan het moment van de ervaring zelf, want die was vluchtig tussen vele andere gewaarwordingen in. Proust: ‘Niet alleen is het verstand van geen nut bij dit soort verrijzenissen, bovendien worden zulke momenten alleen zichtbaar in voorwerpen waar het verstand nooit heeft geprobeerd hen op te sluiten.’

We raken hier heel subtiele en moeilijk te verwoorden ervaringen. Ik moest denken aan ‘het numineuze’ waar theoloog en schrijver Tjeu van de Berk een mooi boek over heeft geschreven. Het overkomt je. Je dwingt het niet af en als je dat wilt, bv door een logisch beredeneerde levensbeschouwing, ontglipt het je. Ook het woord ‘geluk’ dekt de lading hier niet. Soms is de ervaring eerder huiveringwekkend. De poëzie vangt dit beter dan de filosofie omdat ze met paradoxen kan leven.

Geluk is geen conclusie. Het is een aspect van ons bestaan dat we ook zo weer wegblazen. Geluk sluimert in onze herinneringen, in de kunst, in een simpel stilstaan bij een voorwerp. Vlinderachtig. Niet te vangen. Het kan opbloeien als een zaadje dat al tijden ongebruikt in de grond ligt en opeens tot leven komt. Ons leven zit vol met deze potenties waar we even zo vaak aan voorbij leven. Het kan zomaar ‘verrijzen’ uit onze dagelijkse sleur. Tja, het leven is misschien ‘zinloos’ maar voor mij daardoor niet minder waard om geleefd te worden.

 

Rien van der Zeijden

 

Column 18 Vakantie is ook filosoferen

De vakantietijd is bijna al weer voorbij en we maken ons weer op voor het oppakken van de routine die door veel mensen even wordt losgelaten. Het lijkt net of in de zomermaanden het leven even kalmer aan geleefd wordt. Zo worden in de zomer ook veel vakanties gepland: er even tussen uit. Waar tussenuit?

Als de vakantie bedoeld is om uit de sleur te komen, je te laven aan de zon en het exotische ver weg, zodat je alles even los kunt laten, lukt dat dan ook? Helaas vinden we niet altijd wat we ver weg menen te zoeken. Het paradijs blijkt toch niet zo paradijselijk te zijn, want zon en zee zijn wel mooi, maar eigenlijk verveel je je en komen de problemen die je gehoopt had thuis te laten ook hier weer voor het licht. Je kun niet op vakantie gaan zonder jezelf thuis te laten. Sterker nog, op vakantie ben je vaak meer zelfbewust dan in de sleur van alledag. Juist omdat de sleur ontbreekt, kun je je richten op jezelf en is het te warm of te koud, is het net niet comfortabel genoeg, zijn we vermoeidheid, heb je last van heimwee, ofwel je zit jezelf in de weg.

Reizen is volgens Alain de Botton een levenskunst die niet iedereen beheerst. Het plannen van een vakantie is een vorm van praktische filosofie. Niet blindelings de brochures volgen en vertrouwen op het paradijs dat zij beloven, maar bewust reizen en bij de voorbereiding jezelf afvragen ‘wat zoek ik en heeft het landschap mij dat te bieden en zo ja, hoe vind ik dat daar?’ Je zou dan zomaar het paradijs in Friesland kunnen vinden. Beheerst u die levenskunst al?

Anna Riemersma

Column 17 De Wachter

Kent u dat? Dat activiteit-loze staren uit je raam? Vorige week was het er weer. Het is geen mediteren. Geen ‘verdiende rust’. Geen voldaan gevoel. Het heeft zelfs een licht paniekerige ondertoon. Ik moet aan ‘iets nieuws’ beginnen. Mijn leven ‘moet’ betekenis hebben. Straks is er weer die receptie, die netwerkborrel, die vraag waar ik mee bezig ben..

Nynke Laverman heeft in onvertaalbaar mooi poëtisch Fries een lied over De Wachter geschreven. Op Oerol maakte ze er een onvergetelijke voorstelling van. Onverwacht zal het komen, zingt ze, onverwacht. En even later: ik ben de wachter vergeten. De wachter in mezelf….verraden….in de hoek gesmeten.

Waar wacht ik op? Wie en wat laat ik voorbijgaan? Waarom blijf ik maar zitten? Ben ik depressief? Waarom glijden de credo’s van deze tijd opeens als water van mijn rug af: ‘beweeg.. verander..je hebt het zelf in de hand..!’ Er komt een moment dat je dit niet meer gelooft. Maar het uit zich in een wankelbaar wachten, een verlangen naar een dieper niveau.

Unferwachts

sil it komme

Unferwachts

Dan komen de stemmen. Elke wachter kent ze. De vernietigende kracht van het oordeel dat zich naar binnen keert. De anderen zijn succesvol. Jij mist iets. Ze vertellen het je niet. Je zit hier maar zinloos te staren. Oordelen zijn als giftige dampen. Op zijn best zijn het snel voorbijdrijvende wolken die beter weer voorspellen. Of toch niet?

Unferwachts

sil it komme

Unferwachts

Blijf zitten en wacht tot het komt. Tot je gloeit van binnen. Tot je gevuld wordt met schoonheid. Weersta de verleiding van het surrogaat. Sluit geen compromis. Hoed je voor de schijnbeweging, de luchtspiegelingen die de actie veroorzaakt. Zit stil en kijk naar je innerlijk als een visser naar zijn dobber. Versterf in je aandacht, vereenzaam in je alertheid. Niets leid je af. Je bent bereid niets te worden.

Wês wach

Wês wachter

Wachter yn ferwûndering

Wachter yn bysûndering

Dan, toch nog onverwacht, staat de wachter in mij op. Is er iets veranderd? Hoe weet hij dat het gekomen is? Wie stuurt hem? Hij vult zijn longen met de nieuwe lucht en gaat zijn eigen weg. In volmaakte  vanzelfsprekendheid.

Rien van der Zeijden

Column 16 Gelukkig nieuwjaar?

Januari al weer. Een nieuwe maand, een nieuw jaar en de tijd van de nieuwjaarswens. We wensen elkaar veel toe: gezondheid, mooie momenten, rust, blijdschap, succes, zorgzaamheid, blijheid en vooral geluk. Maar wat betekent dat eigenlijk? Wat wens je de ander toe als je hem geluk wenst?

Als je mensen vraagt wat hen gelukkig maakt, zijn de antwoorden vaak de liefde van de mensen om je heen, dat het goed gaat met je kinderen, dat je lekker in je vel zit, dat het goed op je werk of school gaat, het één zijn met de natuur. Dit zijn echter allemaal voorbeelden van momenten van geluk en misschien wel belangrijker: ze zijn allemaal subjectief. Op deze manier bekeken is een gelukswens inhoudsloos, zolang je er geen persoonlijke boodschap bijvoegt. Ik wens je veel gelukkige momenten met je wandelingen in de bossen! Hiermee geef je niet alleen inhoud aan geluk, maar geef je ook aan de ander te kennen en erkennen.

Kan er wel een objectieve definitie van geluk worden gegeven? Aristoteles stelt dat een mens pas gelukkig kan zijn als zijn leven gelukt is. Gelukt in de zin van het optimaal functioneren van de rede dat het karakter heeft van filosofische beschouwingen. Kunnen dan alleen filosofen gelukkig zijn? Het zou zo maar kunnen, want het mooie is dat er in ieder van ons een filosoof schuilt. Soms komt de filosoof in ons naar voren als we vragen stellen, als we verwondert zijn en als we de gegeven antwoorden niet zomaar accepteren. Laat die filosoof in u vaker naar voren komen en dan kunt u zeggen dat u dit jaar een stap heeft gezet naar een gelukt leven. Wie weet wordt u zelfs gelukkig.

Ik wens u in 2017 vele gelukkige momenten met de wijsgerige activiteiten!

Anna Riemerma

Column 15: Voorzichtig, breekbaar!

Er wordt heel wat afgefilosofeerd, gediscussieerd, – geschreven, -getobt en –gezeurd over ons parlementair democratisch systeem. Dat mag ook best: het is er belangrijk genoeg voor. Mondiaal gezien is het een schaars goed dan wel een jong en teer plantje.

Wij kunnen bij verkiezingen vrijuit en onbespied uit een scala van politieke programma’s kiezen, we hebben een kieswet die nog dikker is dan de grondwet zelf en die garandeert dat het eerlijk toegaat – dat zit allemaal wel snor tot en met de kwaliteit van het rode potlood.

Maar dit alles gaat er wel stilzwijgend van uit dat er partijen zijn. Dat zijn verenigingen van mensen die goeddeels hetzelfde willen met de samenleving, die beginsel- en actieprogramma’s maken, geschikte mensen zoeken om kandidaat te stellen en die dat hele circus verder regelen. Dat doen vrijwilligers. Zeg maar: de mantelzorgers van onze democratie.

Daar zit wel de Achillespees. Want functioneren die clubs nog wel? Hoe representatief zijn ze? Er zijn er bij die je niet zou oprichten als ze er niet al waren; er zijn er ook bij waarvan je je afvraagt of ze zich niet wat slordig melden als “Politieke Partij” omdat niet direct helder is wat ze nu eigenlijk toevoegen en namens wie.

Er zijn maar weinig burgers lid van een politieke partij. Bij gemeentelijke verkiezingen spelen lokale partijen, zich profilerend met een enkel item een flinke rol. Andere methoden van raadpleging van de burgers komen op: directe democratie, waarbij niet de volksvertegenwoordiging, maar de massaliteit van kiezers besluiten neemt op ja/nee vragen. Er loopt nu zelfs een grapjas rond die wel vier keer per jaar referenda zou willen houden. Dat kon wel eens heel anders door de burger worden beleefd. Die moet voor gemeente, provincie, waterschap, parlement en Europa toch al vijf keer in vier jaar opdraven –nog afgezien van tussentijdse extra verkiezingen bij een crisis. Als daar nog allerlei referenda bijkomen konden “hardwerkende” kiezers wel eens zeggen: jongens, we geven jullie 1x per 4 jaar mandaat en jullie doen verder je best maar. Wij komen niet voor ieder akkevietje opdraven. Daar hebben we jullie voor ingehuurd. Wij blijven niet aan de gang. “Kiesmoeheid” heet dat en tenslotte blijven burgers meer en meer weg bij “echte” verkiezingen.

Bij de laatste twee referenda (over Ukraïne en Brexit) merkte de kiezer al gauw dat je in de politiek meer smaken nodig hebt dan ja en nee. Velen kregen achteraf pas scherp waar ze precies voor of tegen waren geweest.

In het streven burgers rechtstreeks bij de politieke besluitvorming te bereiken is ook de “lottocratie” bepleit – een systeem waarbij loting bepaalt welke burgers deelnemen aan de besluitvorming.

Het is goed om naast het kiesrecht methoden te ontwikkelen om bij de voorbereiding of uitvoering van het beleid uit te vogelen wat de burgers belangrijk vinden. Er is van alles op die markt: Inspraakavonden, adviesraden, wijkpanels, buurtonderzoek, open huizen, internetpanels, en professioneel marktonderzoek.

Als maar helder is wat besluitvorming is en wat raadpleging. Zodra iemand iets over mij besluit wil ik hem namelijk verantwoording kunnen vragen. Dat is de kern van de democratie: geen macht zonder verantwoording.

Het lijkt me namelijk geen geslaagd idee dat de cassiere van mijn buurtsuper (een hele goede overigens) de ratificatie van internationale verdragen voorgelegd krijgt. En als ik mijn auto naar de garage breng voor een reparatie, heb ik ook liever niet dat degene die hem gaat repareren bij loting uit het personeel wordt aangewezen: voor een veilige bestuurbaarheid van mijn auto heb ik liever een ervaren monteur dan een prima boekhouder. Dat geldt evenzo voor de bestuurbaarheid van mijn gemeente. Ieder zijn vak.

Pimp the good old inspraak maar. Die kan best beter. Maar tast ons –nog oudere- stelsel van democratische verantwoordelijkheden niet aan. Die is daar te belangrijk voor.

Hartkamp

Column 14: filosoferen is….

Kortgeleden liep ik de Berenloop en de Elfsteden, nu kijk ik vanuit de kamer naar de blauwe lucht en de wegtrekkende, witgrijze stapelwolken. De horizon is onverwacht dichtbij gekomen.
Filosoferen is leren te sterven, zei Cicero en Montaigne zegt hem dat na. Door te filosoferen kunnen we de dood zijn vreemdheid ontnemen en aan hem wennen. Wij moderne mensen hebben de neiging de dood te negeren en gaan daardoor teveel gebukt onder zinloze doodsangst. Filosoferen vermindert die angst en brengt soms zelfs inspirerende en fraaie inzichten met zich mee. En zowaar gelukkige momenten.
De kracht komt langzaam terug. Berenloop en Elfsteden zet ik uit mijn hoofd, maar bedachtzaam lopen lukt wel weer. Ja, ik filosofeer elke dag, juist nu…
09-2016
Sjaak Kloppenburg
 
dsc02560

Column 13: De wet als ethisch minimum

“Je hoort de grenzen van de wet niet op te zoeken:” Het was een schijnbaar achteloos, half over de schouder tegen een achtervolgende microfoon uitgesproken, zinnetje van een glimlachende minister Deysselbloem. Meer hoorde en zag ik ook niet – ik had middenin een nieuwsflard ingeschakeld – maar ik merkte dat het zinnetje me beviel.

Een eenvoudig zinnetje, jawel, maar in feite stelde hij op zijn bekende, wat minzaam-droogkloterige, wijze een even fundamenteel als actueel thema aan de orde: de verhouding tussen wet en ethiek, tussen wat “mag” en wat “hoort”, tussen wat legaal is en wat correct is.

Als eerstejaars student volgden we een college rechtsfilosofie bij een briljant hoogleraar die een eigen wijsgerige systematiek had ontwikkeld. Wij waren deels te dom en grotendeels te oppervlakkig voor zijn wijsbegeerte. Wij durfden zelfs geen vraag te stellen als wij iets niet begrepen omdat wij dan het risico liepen te moeten uitleggen wát wij niet begrepen.

Eén bouwsteen van zijn denken landde evenwel definitief bij mij: de hiërarchie van denken. Zijn leer kende een uitgewerkt systeem van volgorde der disciplines, de biologische, natuurkundige, wiskundige, economische etc. Het juridische, en dat verraste mij natuurlijk in het geheel niet, stond hoog op de ladder genoteerd. Maar daarboven stond nog de ethiek. Met de wet, zo begreep ik wel, begon het pas.

Het was bovendien nog ingewikkelder: met de letter van de wet was je er nog niet. “Summa jus summa iniuria est” – de hoogste consequentie kon immers tot de duivel leiden. Je moest, anders dan de letterknechten en de overactieve politieagenten, eerst goed de geest van de wet proeven, voor je hem toepaste.

Zeker, er waren andere geluiden over de verhouding wet en moraal. Je mocht niet stelen, vond vrijwel ieder. Je mocht misschien dan wel niet stelen, maar je mocht vooral niet betrapt worden, vonden de inbrekers en de zwartrijders. . Als vrijwel iedereen het doet, is het lang zo erg niet, vonden de fietsendieven en de zwartwerkers. De Amsterdamse filosoof Johannes Cruyff (Betondorp, 1947) bracht nog de verfijning aan dat je in ieder geval geen dief mocht zijn van je eigen portemonnee.

De grootste groep bleek echter die van de legalistische minimumlijders: het deugt, want het is immers niet verboden. Het geciteerde zinnetje van Deysselbloem slaat kennelijk op die groep. Ik heb de rest van het verhaal niet gehoord maar het zal ongetwijfeld over de hoogte van de inkomens bij sommige banken zijn gegaan, waarbij de laatsten zich er pruilend op beriepen dat ze toch binnen de wet handelden.

De wet als ethisch minimum: “Je hoort de grenzen van de wet niet op te zoeken” zegt de minister minzaam en geeft de bankiers daarmee een ontluisterende draai om hun oren; hij zet ze eigenlijk neer als ordinaire scharrelaars, kleine knoeiers. Wie de grenzen van de wet op zoekt, loopt er moreel de kantjes bij af.

Ik ben geen geschoolde filoloog, maar ethiek en etiquette, zou dat soms familie van elkaar zijn?

Siebold Hartkamp

 

 

 

Column 11: Gelatenheid

Gelukkig ben ik op tijd vanavond. Net als ik denk dat ik de goede houding op mijn stoeltje bovenin de zaal heb gevonden, wil er nog iemand langs. In het midden van de rij is nog 1 stoeltje over. Gedwee sta ik weer op. Een vrouw schuift dicht langs me heen. Een geur van ‘op leeftijd maar ik ben er nog’ treft me aangenaam. Ik spied de rij langs of ik me definitief kan instellen op een uur luisteren. Altijd weer een klus om mijn 1meter 95 op luisterstand te vouwen. Tevreden kijk ik uit over de intelligente hoofden van het Filosofisch Cafe Sneek. Welvarend, bewust, een tikkeltje vrijdenkerig waarschijnlijk, maar vooral…grijs. Verdonkeremaand-grijs. Uitbundig grijs. Ik wil het niet weten-grijs. Dit is niet echt blond-grijs. Maar toch… grijs. Alleen als je blind bent, stel je nog vragen over de doelgroep van het Filosofisch Café. In de verte hoor ik de spreker. ‘Hij moet wat meer in de microfoon praten,’ mompelt mijn buurman. Het gaat over weemoed.

9200000036299535Ik veer op als ik de naam Wilhelm Schmid hoor die een boekje geschreven heeft over ‘gelatenheid’. Tot voor kort een woord zonder positieve connotaties voor mij. Maar onlangs werd ik 58. Ik zwierf die dag met een duidelijk weemoedig gevoel bij van der Velde rond. Daar trof ik zijn boekje. Over gelatenheid als levenskunst. Als een puber die een verboden tijdschrift bekijkt, begon ik er in te bladeren. Mmm, het ‘laten’ als een bewuste keus in je leven, als een te ontwikkelen deugd. Ik wil er nog niet aan. Ik wil nog zoveel! Die kiem, die levenslange drive om mijzelf te bewijzen komt maar niet tot rust. De storm van mijn jeugd, de ervaringen in mijn midlife, ze branden nog onrustig in mijn herinneringen. Schaduwen van een flakkerend vuur. Gelatenheid is de kunst van het laten gebeuren. Het is de golf op het strand laten rollen, het blad sierlijk laten vallen. Het is meebewegen. Vertrouwen op de loop der dingen. Genieten van een kabbelend gesprek, de vrienden, de herinnering…..

Langzaam leer ik deze deugd van gelatenheid in een maatschappij die op hol geslagen is. Gij zult veranderen! gij zult het er niet bij laten! Wie ‘wacht’ is passief. De coaches hebben er flink werk van. Wat erger is: we zijn gaan geloven dat we het zelf in de hand hebben, dat onze omgeving maakbaar is. Het resultaat: organisaties vol met schijnveranderingen waar de onderstroom niet geraakt wordt. De oude poëzie van H. Roland Holst is letterlijk uit de tijd geraakt:

Leer stil zijn, leer niets, leer wachten-

Het geheim der sterken school altijd daarin

dat ze zich instelden op lange drachten

en intoomden de onstuimige dadenzin.

Tussen het zilvergrijs daal ik gelaten de trappen van het filosofisch theater weer af. Het dringt tot me door dat de obsessie met verandering vaak schuilt in het onvermogen me te verbinden. Ik ga eens niet veranderen. Ik blijf maar eens een keer waar ik ben. Ik houd het maar eens gewoon uit met mijn vragen, mijn omgeving, mijn gevoelens van pijn en verlies. Ik ga in de auto nog eens luisteren naar het prachtige lied van Jeroen Zijlstra: ‘Ga niet weg’. Blijf als je ’t liefst wilt vluchten. Ik laat dus ik ben..

Rien van der Zeijden

Column 10: een aloude wijsheid

Een aloude wijsheid

In 1755 kwamen bij de aardbeving van Lissabon van de ruim 250.000 inwoners bijna 100.000 om het leven. Werd het natuurlijke kwaad van zo’n ramp ooit beschouwd als straf van God voor begane zonden, sinds de ‘Verlichting’ is dit denken geen gemeengoed; eerder het idee dat als God en goed en almachtig is, waarom voorkomt hij dan geen gewelddadige aardschokken?  Dat mensen vroeger in natuurrampen de hand van God zagen en nu vaak het idee hebben dat God niet bestaat, laat zien hoe denkbeelden in de loop van de tijd verschuiven.

De postmoderne mens beschouwt natuurrampen al weer anders: maakte men niet zo lang geleden het onderscheid tussen natuurcatastrofes waar helemaal niets aan te doen valt, wij postmodernen zijn geneigd rampen te zien als direct gevolg van ons eigen ingrijpen.  Oorzaken en gevolgen van natuurrampen zijn verstrengeld geraakt in een ingewikkelde kluwen van louter natuur en hoog ontwikkelende technieken.  Klimaatverandering brengen wij in direct verband met menselijk handelen en aardbevingen in Groningen vinden wij al lang geen op zichzelf staande natuurramp: catastrofes als deze veroorzaken wijzelf, is de algemene overtuiging. Onze techniek en handelen lijken oncontroleerbare fenomenen te worden.

In Oudgriekse tragedies speelt het thema ‘hoogmoed’. Denk aan Icarus die vermaand  wordt niet te hoog en te dicht bij de zon te vliegen om te voorkomen dat de was smelt; ook niet te laag omdat de vleugels te zwaar van het zeewater zouden worden. In zijn enthousiasme wordt Icarus, gelijk wij, toch hoogmoedig; hij vliegt tegen de adviezen in veel te hoog en stort neer. In de Griekse tragedie Antigone wordt dit fraai verklankt als het koor aangeeft dat techniek de mens zowel tot grote hoogte als diepe dalen  brengt.

Natuurrampen komen met de regelmaat van de klok en blijven ons kwellen. Maakt  het dan uit of je gestraft wordt door Griekse goden, de christelijke God of het klare inzicht dat technologie de werkelijke  boosdoener is? Pijn doet het. Als er zich al een uitweg aftekent,  is dat ons besef dat we de beperkingen van ons technisch vernuft, inclusief  ons eigen menselijk handelen daarin, opnieuw onder ogen moeten zien: een aloude wijsheid die wij, postmodernen, van de Ouden kunnen leren en zo lijkt de cirkel van ideeën zich verrassend te sluiten.

december 2015, Sjaak Kloppenburg