Column 17 De Wachter

Kent u dat? Dat activiteit-loze staren uit je raam? Vorige week was het er weer. Het is geen mediteren. Geen ‘verdiende rust’. Geen voldaan gevoel. Het heeft zelfs een licht paniekerige ondertoon. Ik moet aan ‘iets nieuws’ beginnen. Mijn leven ‘moet’ betekenis hebben. Straks is er weer die receptie, die netwerkborrel, die vraag waar ik mee bezig ben..

Nynke Laverman heeft in onvertaalbaar mooi poëtisch Fries een lied over De Wachter geschreven. Op Oerol maakte ze er een onvergetelijke voorstelling van. Onverwacht zal het komen, zingt ze, onverwacht. En even later: ik ben de wachter vergeten. De wachter in mezelf….verraden….in de hoek gesmeten.

Waar wacht ik op? Wie en wat laat ik voorbijgaan? Waarom blijf ik maar zitten? Ben ik depressief? Waarom glijden de credo’s van deze tijd opeens als water van mijn rug af: ‘beweeg.. verander..je hebt het zelf in de hand..!’ Er komt een moment dat je dit niet meer gelooft. Maar het uit zich in een wankelbaar wachten, een verlangen naar een dieper niveau.

Unferwachts

sil it komme

Unferwachts

Dan komen de stemmen. Elke wachter kent ze. De vernietigende kracht van het oordeel dat zich naar binnen keert. De anderen zijn succesvol. Jij mist iets. Ze vertellen het je niet. Je zit hier maar zinloos te staren. Oordelen zijn als giftige dampen. Op zijn best zijn het snel voorbijdrijvende wolken die beter weer voorspellen. Of toch niet?

Unferwachts

sil it komme

Unferwachts

Blijf zitten en wacht tot het komt. Tot je gloeit van binnen. Tot je gevuld wordt met schoonheid. Weersta de verleiding van het surrogaat. Sluit geen compromis. Hoed je voor de schijnbeweging, de luchtspiegelingen die de actie veroorzaakt. Zit stil en kijk naar je innerlijk als een visser naar zijn dobber. Versterf in je aandacht, vereenzaam in je alertheid. Niets leid je af. Je bent bereid niets te worden.

Wês wach

Wês wachter

Wachter yn ferwûndering

Wachter yn bysûndering

Dan, toch nog onverwacht, staat de wachter in mij op. Is er iets veranderd? Hoe weet hij dat het gekomen is? Wie stuurt hem? Hij vult zijn longen met de nieuwe lucht en gaat zijn eigen weg. In volmaakte  vanzelfsprekendheid.

Rien van der Zeijden

Column 16 Gelukkig nieuwjaar?

Januari al weer. Een nieuwe maand, een nieuw jaar en de tijd van de nieuwjaarswens. We wensen elkaar veel toe: gezondheid, mooie momenten, rust, blijdschap, succes, zorgzaamheid, blijheid en vooral geluk. Maar wat betekent dat eigenlijk? Wat wens je de ander toe als je hem geluk wenst?

Als je mensen vraagt wat hen gelukkig maakt, zijn de antwoorden vaak de liefde van de mensen om je heen, dat het goed gaat met je kinderen, dat je lekker in je vel zit, dat het goed op je werk of school gaat, het één zijn met de natuur. Dit zijn echter allemaal voorbeelden van momenten van geluk en misschien wel belangrijker: ze zijn allemaal subjectief. Op deze manier bekeken is een gelukswens inhoudsloos, zolang je er geen persoonlijke boodschap bijvoegt. Ik wens je veel gelukkige momenten met je wandelingen in de bossen! Hiermee geef je niet alleen inhoud aan geluk, maar geef je ook aan de ander te kennen en erkennen.

Kan er wel een objectieve definitie van geluk worden gegeven? Aristoteles stelt dat een mens pas gelukkig kan zijn als zijn leven gelukt is. Gelukt in de zin van het optimaal functioneren van de rede dat het karakter heeft van filosofische beschouwingen. Kunnen dan alleen filosofen gelukkig zijn? Het zou zo maar kunnen, want het mooie is dat er in ieder van ons een filosoof schuilt. Soms komt de filosoof in ons naar voren als we vragen stellen, als we verwondert zijn en als we de gegeven antwoorden niet zomaar accepteren. Laat die filosoof in u vaker naar voren komen en dan kunt u zeggen dat u dit jaar een stap heeft gezet naar een gelukt leven. Wie weet wordt u zelfs gelukkig.

Ik wens u in 2017 vele gelukkige momenten met de wijsgerige activiteiten!

Anna Riemerma

Column 15: Voorzichtig, breekbaar!

Er wordt heel wat afgefilosofeerd, gediscussieerd, – geschreven, -getobt en –gezeurd over ons parlementair democratisch systeem. Dat mag ook best: het is er belangrijk genoeg voor. Mondiaal gezien is het een schaars goed dan wel een jong en teer plantje.

Wij kunnen bij verkiezingen vrijuit en onbespied uit een scala van politieke programma’s kiezen, we hebben een kieswet die nog dikker is dan de grondwet zelf en die garandeert dat het eerlijk toegaat – dat zit allemaal wel snor tot en met de kwaliteit van het rode potlood.

Maar dit alles gaat er wel stilzwijgend van uit dat er partijen zijn. Dat zijn verenigingen van mensen die goeddeels hetzelfde willen met de samenleving, die beginsel- en actieprogramma’s maken, geschikte mensen zoeken om kandidaat te stellen en die dat hele circus verder regelen. Dat doen vrijwilligers. Zeg maar: de mantelzorgers van onze democratie.

Daar zit wel de Achillespees. Want functioneren die clubs nog wel? Hoe representatief zijn ze? Er zijn er bij die je niet zou oprichten als ze er niet al waren; er zijn er ook bij waarvan je je afvraagt of ze zich niet wat slordig melden als “Politieke Partij” omdat niet direct helder is wat ze nu eigenlijk toevoegen en namens wie.

Er zijn maar weinig burgers lid van een politieke partij. Bij gemeentelijke verkiezingen spelen lokale partijen, zich profilerend met een enkel item een flinke rol. Andere methoden van raadpleging van de burgers komen op: directe democratie, waarbij niet de volksvertegenwoordiging, maar de massaliteit van kiezers besluiten neemt op ja/nee vragen. Er loopt nu zelfs een grapjas rond die wel vier keer per jaar referenda zou willen houden. Dat kon wel eens heel anders door de burger worden beleefd. Die moet voor gemeente, provincie, waterschap, parlement en Europa toch al vijf keer in vier jaar opdraven –nog afgezien van tussentijdse extra verkiezingen bij een crisis. Als daar nog allerlei referenda bijkomen konden “hardwerkende” kiezers wel eens zeggen: jongens, we geven jullie 1x per 4 jaar mandaat en jullie doen verder je best maar. Wij komen niet voor ieder akkevietje opdraven. Daar hebben we jullie voor ingehuurd. Wij blijven niet aan de gang. “Kiesmoeheid” heet dat en tenslotte blijven burgers meer en meer weg bij “echte” verkiezingen.

Bij de laatste twee referenda (over Ukraïne en Brexit) merkte de kiezer al gauw dat je in de politiek meer smaken nodig hebt dan ja en nee. Velen kregen achteraf pas scherp waar ze precies voor of tegen waren geweest.

In het streven burgers rechtstreeks bij de politieke besluitvorming te bereiken is ook de “lottocratie” bepleit – een systeem waarbij loting bepaalt welke burgers deelnemen aan de besluitvorming.

Het is goed om naast het kiesrecht methoden te ontwikkelen om bij de voorbereiding of uitvoering van het beleid uit te vogelen wat de burgers belangrijk vinden. Er is van alles op die markt: Inspraakavonden, adviesraden, wijkpanels, buurtonderzoek, open huizen, internetpanels, en professioneel marktonderzoek.

Als maar helder is wat besluitvorming is en wat raadpleging. Zodra iemand iets over mij besluit wil ik hem namelijk verantwoording kunnen vragen. Dat is de kern van de democratie: geen macht zonder verantwoording.

Het lijkt me namelijk geen geslaagd idee dat de cassiere van mijn buurtsuper (een hele goede overigens) de ratificatie van internationale verdragen voorgelegd krijgt. En als ik mijn auto naar de garage breng voor een reparatie, heb ik ook liever niet dat degene die hem gaat repareren bij loting uit het personeel wordt aangewezen: voor een veilige bestuurbaarheid van mijn auto heb ik liever een ervaren monteur dan een prima boekhouder. Dat geldt evenzo voor de bestuurbaarheid van mijn gemeente. Ieder zijn vak.

Pimp the good old inspraak maar. Die kan best beter. Maar tast ons –nog oudere- stelsel van democratische verantwoordelijkheden niet aan. Die is daar te belangrijk voor.

Hartkamp

Column 14: filosoferen is….

Kortgeleden liep ik de Berenloop en de Elfsteden, nu kijk ik vanuit de kamer naar de blauwe lucht en de wegtrekkende, witgrijze stapelwolken. De horizon is onverwacht dichtbij gekomen.
Filosoferen is leren te sterven, zei Cicero en Montaigne zegt hem dat na. Door te filosoferen kunnen we de dood zijn vreemdheid ontnemen en aan hem wennen. Wij moderne mensen hebben de neiging de dood te negeren en gaan daardoor teveel gebukt onder zinloze doodsangst. Filosoferen vermindert die angst en brengt soms zelfs inspirerende en fraaie inzichten met zich mee. En zowaar gelukkige momenten.
De kracht komt langzaam terug. Berenloop en Elfsteden zet ik uit mijn hoofd, maar bedachtzaam lopen lukt wel weer. Ja, ik filosofeer elke dag, juist nu…
09-2016
Sjaak Kloppenburg
 
dsc02560

Column 13: De wet als ethisch minimum

“Je hoort de grenzen van de wet niet op te zoeken:” Het was een schijnbaar achteloos, half over de schouder tegen een achtervolgende microfoon uitgesproken, zinnetje van een glimlachende minister Deysselbloem. Meer hoorde en zag ik ook niet – ik had middenin een nieuwsflard ingeschakeld – maar ik merkte dat het zinnetje me beviel.

Een eenvoudig zinnetje, jawel, maar in feite stelde hij op zijn bekende, wat minzaam-droogkloterige, wijze een even fundamenteel als actueel thema aan de orde: de verhouding tussen wet en ethiek, tussen wat “mag” en wat “hoort”, tussen wat legaal is en wat correct is.

Als eerstejaars student volgden we een college rechtsfilosofie bij een briljant hoogleraar die een eigen wijsgerige systematiek had ontwikkeld. Wij waren deels te dom en grotendeels te oppervlakkig voor zijn wijsbegeerte. Wij durfden zelfs geen vraag te stellen als wij iets niet begrepen omdat wij dan het risico liepen te moeten uitleggen wát wij niet begrepen.

Eén bouwsteen van zijn denken landde evenwel definitief bij mij: de hiërarchie van denken. Zijn leer kende een uitgewerkt systeem van volgorde der disciplines, de biologische, natuurkundige, wiskundige, economische etc. Het juridische, en dat verraste mij natuurlijk in het geheel niet, stond hoog op de ladder genoteerd. Maar daarboven stond nog de ethiek. Met de wet, zo begreep ik wel, begon het pas.

Het was bovendien nog ingewikkelder: met de letter van de wet was je er nog niet. “Summa jus summa iniuria est” – de hoogste consequentie kon immers tot de duivel leiden. Je moest, anders dan de letterknechten en de overactieve politieagenten, eerst goed de geest van de wet proeven, voor je hem toepaste.

Zeker, er waren andere geluiden over de verhouding wet en moraal. Je mocht niet stelen, vond vrijwel ieder. Je mocht misschien dan wel niet stelen, maar je mocht vooral niet betrapt worden, vonden de inbrekers en de zwartrijders. . Als vrijwel iedereen het doet, is het lang zo erg niet, vonden de fietsendieven en de zwartwerkers. De Amsterdamse filosoof Johannes Cruyff (Betondorp, 1947) bracht nog de verfijning aan dat je in ieder geval geen dief mocht zijn van je eigen portemonnee.

De grootste groep bleek echter die van de legalistische minimumlijders: het deugt, want het is immers niet verboden. Het geciteerde zinnetje van Deysselbloem slaat kennelijk op die groep. Ik heb de rest van het verhaal niet gehoord maar het zal ongetwijfeld over de hoogte van de inkomens bij sommige banken zijn gegaan, waarbij de laatsten zich er pruilend op beriepen dat ze toch binnen de wet handelden.

De wet als ethisch minimum: “Je hoort de grenzen van de wet niet op te zoeken” zegt de minister minzaam en geeft de bankiers daarmee een ontluisterende draai om hun oren; hij zet ze eigenlijk neer als ordinaire scharrelaars, kleine knoeiers. Wie de grenzen van de wet op zoekt, loopt er moreel de kantjes bij af.

Ik ben geen geschoolde filoloog, maar ethiek en etiquette, zou dat soms familie van elkaar zijn?

Siebold Hartkamp

 

 

 

Column 11: Gelatenheid

Gelukkig ben ik op tijd vanavond. Net als ik denk dat ik de goede houding op mijn stoeltje bovenin de zaal heb gevonden, wil er nog iemand langs. In het midden van de rij is nog 1 stoeltje over. Gedwee sta ik weer op. Een vrouw schuift dicht langs me heen. Een geur van ‘op leeftijd maar ik ben er nog’ treft me aangenaam. Ik spied de rij langs of ik me definitief kan instellen op een uur luisteren. Altijd weer een klus om mijn 1meter 95 op luisterstand te vouwen. Tevreden kijk ik uit over de intelligente hoofden van het Filosofisch Cafe Sneek. Welvarend, bewust, een tikkeltje vrijdenkerig waarschijnlijk, maar vooral…grijs. Verdonkeremaand-grijs. Uitbundig grijs. Ik wil het niet weten-grijs. Dit is niet echt blond-grijs. Maar toch… grijs. Alleen als je blind bent, stel je nog vragen over de doelgroep van het Filosofisch Café. In de verte hoor ik de spreker. ‘Hij moet wat meer in de microfoon praten,’ mompelt mijn buurman. Het gaat over weemoed.

9200000036299535Ik veer op als ik de naam Wilhelm Schmid hoor die een boekje geschreven heeft over ‘gelatenheid’. Tot voor kort een woord zonder positieve connotaties voor mij. Maar onlangs werd ik 58. Ik zwierf die dag met een duidelijk weemoedig gevoel bij van der Velde rond. Daar trof ik zijn boekje. Over gelatenheid als levenskunst. Als een puber die een verboden tijdschrift bekijkt, begon ik er in te bladeren. Mmm, het ‘laten’ als een bewuste keus in je leven, als een te ontwikkelen deugd. Ik wil er nog niet aan. Ik wil nog zoveel! Die kiem, die levenslange drive om mijzelf te bewijzen komt maar niet tot rust. De storm van mijn jeugd, de ervaringen in mijn midlife, ze branden nog onrustig in mijn herinneringen. Schaduwen van een flakkerend vuur. Gelatenheid is de kunst van het laten gebeuren. Het is de golf op het strand laten rollen, het blad sierlijk laten vallen. Het is meebewegen. Vertrouwen op de loop der dingen. Genieten van een kabbelend gesprek, de vrienden, de herinnering…..

Langzaam leer ik deze deugd van gelatenheid in een maatschappij die op hol geslagen is. Gij zult veranderen! gij zult het er niet bij laten! Wie ‘wacht’ is passief. De coaches hebben er flink werk van. Wat erger is: we zijn gaan geloven dat we het zelf in de hand hebben, dat onze omgeving maakbaar is. Het resultaat: organisaties vol met schijnveranderingen waar de onderstroom niet geraakt wordt. De oude poëzie van H. Roland Holst is letterlijk uit de tijd geraakt:

Leer stil zijn, leer niets, leer wachten-

Het geheim der sterken school altijd daarin

dat ze zich instelden op lange drachten

en intoomden de onstuimige dadenzin.

Tussen het zilvergrijs daal ik gelaten de trappen van het filosofisch theater weer af. Het dringt tot me door dat de obsessie met verandering vaak schuilt in het onvermogen me te verbinden. Ik ga eens niet veranderen. Ik blijf maar eens een keer waar ik ben. Ik houd het maar eens gewoon uit met mijn vragen, mijn omgeving, mijn gevoelens van pijn en verlies. Ik ga in de auto nog eens luisteren naar het prachtige lied van Jeroen Zijlstra: ‘Ga niet weg’. Blijf als je ’t liefst wilt vluchten. Ik laat dus ik ben..

Rien van der Zeijden

Column 10: een aloude wijsheid

Een aloude wijsheid

In 1755 kwamen bij de aardbeving van Lissabon van de ruim 250.000 inwoners bijna 100.000 om het leven. Werd het natuurlijke kwaad van zo’n ramp ooit beschouwd als straf van God voor begane zonden, sinds de ‘Verlichting’ is dit denken geen gemeengoed; eerder het idee dat als God en goed en almachtig is, waarom voorkomt hij dan geen gewelddadige aardschokken?  Dat mensen vroeger in natuurrampen de hand van God zagen en nu vaak het idee hebben dat God niet bestaat, laat zien hoe denkbeelden in de loop van de tijd verschuiven.

De postmoderne mens beschouwt natuurrampen al weer anders: maakte men niet zo lang geleden het onderscheid tussen natuurcatastrofes waar helemaal niets aan te doen valt, wij postmodernen zijn geneigd rampen te zien als direct gevolg van ons eigen ingrijpen.  Oorzaken en gevolgen van natuurrampen zijn verstrengeld geraakt in een ingewikkelde kluwen van louter natuur en hoog ontwikkelende technieken.  Klimaatverandering brengen wij in direct verband met menselijk handelen en aardbevingen in Groningen vinden wij al lang geen op zichzelf staande natuurramp: catastrofes als deze veroorzaken wijzelf, is de algemene overtuiging. Onze techniek en handelen lijken oncontroleerbare fenomenen te worden.

In Oudgriekse tragedies speelt het thema ‘hoogmoed’. Denk aan Icarus die vermaand  wordt niet te hoog en te dicht bij de zon te vliegen om te voorkomen dat de was smelt; ook niet te laag omdat de vleugels te zwaar van het zeewater zouden worden. In zijn enthousiasme wordt Icarus, gelijk wij, toch hoogmoedig; hij vliegt tegen de adviezen in veel te hoog en stort neer. In de Griekse tragedie Antigone wordt dit fraai verklankt als het koor aangeeft dat techniek de mens zowel tot grote hoogte als diepe dalen  brengt.

Natuurrampen komen met de regelmaat van de klok en blijven ons kwellen. Maakt  het dan uit of je gestraft wordt door Griekse goden, de christelijke God of het klare inzicht dat technologie de werkelijke  boosdoener is? Pijn doet het. Als er zich al een uitweg aftekent,  is dat ons besef dat we de beperkingen van ons technisch vernuft, inclusief  ons eigen menselijk handelen daarin, opnieuw onder ogen moeten zien: een aloude wijsheid die wij, postmodernen, van de Ouden kunnen leren en zo lijkt de cirkel van ideeën zich verrassend te sluiten.

december 2015, Sjaak Kloppenburg

Column 9: Eén op de drie Europeanen stierf …

Door: Hans Koppen

Wáár zien we de dood in vol ornaat? Wannéér was Europa één danse macabre waar we de doden bij duizenden moeten tellen, met Lucifer en Magere Hein als dansmeesters? Gaan we voor strijd, denkend aan de 70 miljoen slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, of opteren wij voor wreedheid, de moord op zes miljoen Joden indachtig? Kiezen wij wellicht voor rampen, zoals de aardbeving van Lissabon in 1755 met meer dan 15.000 slachtoffers, of zetten we in op ziekte? Ik kies voor de gebeurtenis met het naar verhouding grootste aantal doden als gevolg van één oorzaak, en daarmee voor de Zwarte Dood. Een tegenstander van formaat voor historische en filosofische reflectie. Zei Socrates al niet dat filosofie een oefening in sterven is?

De pest

De pest was een vreselijke ziekte om aan te lijden, en extreem besmettelijk. Niemand wist waar die vandaan kwam of hoe men die opliep. De ziekte openbaarde zich vaak als een knobbel in de liezen of oksels. Binnen enkele uren leed de patiënt ondragelijke pijn. Die ene buil vermeerderde zich razendsnel. Vervolgens groeiden de builen uit tot het formaat van een appel of een ei. Ze brandden als vurige kool en werden as-grauw of zwart van kleur. Daarna barstten de builen open. De pus zag eruit als ‘zaadjes van zwarte erwten, brosse stukjes, schilletjes van de dolik’. Een ondragelijk stank hing in het ziekenverblijf door alles wat de patiënt uitwasemde of uitscheidde; stinkende adem, bloedige urine en zwarte uitwerpselen. Vaak joeg de koorts de zieke op het laatst overeind zodat hij in spasmen dansend de dood in tuimelde, of leidde zijn pijndelirium hem tot waanzin. Sommigen stierven binnen enkele uren, velen binnen enkele dagen – maar dood gíng men. Vrijwel niemand genas.

Verspreiding

De pandemie begon in Europa in 1348 en verspreidde zich razend snel over ons continent. De pest drong bij Marseille Frankrijk binnen en verbreidde zich via Vlaanderen en Nederland naar Engeland en Schotland. Later ook naar Zwitserland, Hongarije en verder over Oost-Europa. Een schip uit Engeland met een lading wol liep aan de grond in Bergen (N), de gehele bemanning was onderweg aan de pest gestorven. Vandaaruit werd Noorwegen geïnfecteerd, en later Zweden, Pruisen, zelfs Groenland. Relatief snel verdween de ziekte, in 1350 verliet de builenpest alweer Europa. Ons werelddeel ontvolkt achterlatend.

Het grote sterven

Laten wij eens naar de Franse stad Avignon kijken tijdens deze pestepidemie. In die plaats stierven dagelijks 400 mensen, 7000 huizen waarin de dood had huisgehouden werden gesloten en één enkele begraafplaats ontving in 6 weken 11.000 lijken. De helft van de stadsbevolking ging dood. In Florence kon de Compagnia della Misericordia – gekleed in lange, bloedrode mantels met capuchons die het gezicht bedekten en alleen de ogen vrijlieten – het werk niet meer aan; de lijken lagen dagen in de straten te rotten en gezinnen begroeven hun familieleden zo haastig en ondiep dat de honden hen uit hun graf sleepten en de lichamen verslonden. Ook dieren waren niet veilig voor de pest. Boccaccio zag met eigen ogen hoe twee zwijnen de lompen van een dode besnuffelden en vlak daarop stuiptrekkend bezweken, alsof ze vergif hadden ingenomen. De mensen stierven zó snel en in zulke grote aantallen dat er een tekort aan priesters optrad zodat velen niet voorzien konden worden van het Laatste Sacrament, wat het stervensuur van deze slachtoffers tot de Hel maakte die zij bij hun leven toch al zo vreesden.

Disegno32_37

Een broeder van de Compagnia della Misericordia (van internet)

 

Gevolgen van de pestepidemie

De Zwarte Dood drukte het bevolkingscijfer bruusk omlaag, de epidemie daarmee tot een continentale catastrofe makend. De economische, ruimtelijke en politieke gevolgen waren gigantisch: de oogstopbrengst liep terug, economie en handel stokten, markten raakten ontwricht door grote prijsstijgingen. De vermindering van het landbouwareaal leidde tot verlaten gronden, die pas veel later weer werden ontgonnen. Arbeidskrachten en klanten namen in aantal af, maar al tijdens de epidemie stegen de lonen en de overlevenden waren in de meeste gevallen rijker geworden, onder meer door vererving. Zij stelden zich ook vrijer op tegenover heer en kerk, en de mobiliteit van de bevolking nam toe. De crisis liep uit op een herverkaveling van het economische en sociale landschap van Europa en de ontwikkeling van grote gecentraliseerde staten – Frankrijk, Engeland en Spanje – werd erdoor bevorderd.

Apocalyps

Het sterftecijfer varieerde van plaats tot plaats: van 20% van de bevolking tot totale uitsterving. Zowel de toenmalige geschiedschrijver Froissart (1337-1404) als moderne wetenschappers hebben zich uitgesproken over het totale aantal slachtoffers van de Zwarte Dood. Froissart beriep zich daarbij op de Openbaring van Johannes als kenbron. De statistici, historici en demografen van nu zullen wel andere methoden hebben gebruikt. Maar in hun conclusie verschillen zij niet: binnen twee jaar stierf één op de drie inwoners van Europa aan de pest. In absoluut aantal waren dat ongeveer 20 miljoen doden.

Wat hiervan te denken?

En tóch leeft Europa! Natuurrampen, economische tegenspoed, besmettelijke ziektes als Spaanse griep, AIDS en Zwarte Dood, verwoestende oorlogen, omvangrijke genocides en politieke controverses hebben het werelddeel niet klein gekregen. De veerkracht van mensen is enorm en tegenslagen droegen altijd weer een kern van verbetering en ontwikkeling in zich. Ondanks alle collectieve en individuele ellende heeft het merendeel van de Europeanen het nog nooit zo goed gehad als nu. Welke maatstaf we ook aanleggen, Europa gáát vooruit. Soms als in een processie van Echternach (drie stappen vooruit, twee achteruit, … ad infinitum), maar toch. Onthecht kijken, ons niet laten meesleuren met de emotie van de dag – de Stoïcijnen leerden ons dat al – feiten en omstandigheden van nu in historisch en politiek perspectief plaatsen: ons leven is mooier en beter dan we vaak geneigd zijn aan te nemen. En wat onze tegenslagen betreft; laat ons daarvoor het woord van Epictetus voor ogen houden: ‘Een man zonder enige ervaring met de wijsbegeerte zal altijd anderen aansprakelijk stellen voor zijn tegenslagen, een beginnend filosoof zichzelf, een volleerd wijsgeer echter geen van beide.’

NB. Velen hebben de periode van de Zwarte Dood bestudeerd. Het meest bekend is Barbara Tuchman die er in haar boek ‘De waanzinnige veertiende eeuw’ diepgaand en op evocatieve wijze over heeft geschreven. Wie vanuit een literaire invalshoek over die duistere en angstaanjagende tijd geïnformeerd wil worden, leze ‘Narziss en Goldmund’ van Herman Hesse of de ‘Decamerone’ van de contemporaine Florentijnse schrijver Boccaccio..

Column 8 De lege kamer (15-09-2015)

‘God is dood,’ schreef de filosoof Nietzsche in 1882. In fantastisch proza laat hij een ‘dolle mens’ op de markt op klaarlichte dag een lantaarn aansteken en onophoudelijk schreeuwen: ‘Ik zoek God! Om vervolgens te constateren: ‘Wij hebben hem gedood! Hoe hebben we de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen?…. Het heiligste en machtigste wat de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen leeggebloed.’

Nietzsche was zijn tijd ver vooruit. Meer dan een eeuw later dreunt dit beeld nog na en kunnen we enigszins navoelen welke gebeurtenis Nietzsche hier onder woorden brengt. Voor mij is God niet dood maar weggetrokken. Als iemand met een problematische rouwverwerking houd ik een kamer voor hem vrij. Er is nooit een afscheidsceremonie geweest. Lang liet ik deze kamer onaangeroerd. Het werd er steeds stiller. De voorwerpen in die kamer verdwenen uit het dagelijks gebruik, ze werden symbolen van een rijk verleden. Op een dag, en dat weet iedereen die door een rouwproces gaat, moet je vaststellen dat je leven nooit meer dezelfde zal zijn. Bijna niemand wordt ongeschonden spiritueel volwassen.

Veel mensen hebben zo’n lege kamer. Is het een museum geworden met een krachteloze symboliek? ‘We doen er niets meer aan,’ zeiden de kinderen tegen mij bij een uitvaart, niet wetend hoe ze de symbolen uit het verleden van hun moeder konden integreren in hun eigen levensverhaal… Of is onze lege kamer onze zingevingskamer? Een creatieve bron van waaruit we ons leven nieuwe betekenis weten te geven?

In mijn praktijk als coach en ritueelbegeleider werk ik graag met ‘lege kamers’. Welk voorwerp uit die kamer neem jij mee in het gesprek? Is het een museumstuk of verdient het opnieuw ‘geladen’ te worden? Is het misschien besmet geraakt met pijn en boosheid? Hoe neem je hier afscheid van? En welke nieuwe symbolen dienen zich aan? Welk ritueel is nodig om een oud of nieuw symbool weer echt een plaats in jouw kamer te geven? Hoe kun je je symbolische landschap zo inrichten dat je hier weer positieve steun van ontvangt?

Soms denk ik: laat mijn kamer leeg blijven. Het is mijn innerlijke ruimte. Een symbool van ‘de stille stem’. Het staat voor een open niet-wetende levenshouding. Boeddhisten kennen de wijze uitspraak: If you meet the Buddha…kill him! Ze zijn nog radicaler dan Nietzsche en hebben liever de leegte dan een afgod. Zorg voor de lege kamer is soms leren wachten. Het beste moet nog komen…

Rien van der Zeijden

www.rienvanderzeijden.nl

Column 7: het nut van filosoferen

Proberen om de tijd te begrijpen waar je in leeft, is een gewaagde onderneming. Het lijkt op jezelf aan je eigen haren uit een moeras trekken, als een ‘baron van Münchausen’. Toch heeft de mens het vermogen om ‘de waan van de dag’ te ontstijgen en dat maakt hem bijzonder. Immers, welke vis onderzoekt het water waarin hij zwemt en welke vogel bevraagt de lucht waarin hij vliegt. Als je eenmaal op onderzoek uitgaat, en dus filosofeert, dan loop je tegen de vraagstukken van deze tijd, zonder eenduidige antwoorden. En dan helpen oude en hedendaagse filosofen niet altijd.

Nadat de eerste filosoof, die de westerse overlevering kent, ene Thales van Milete (6e eeuw v. Chr.) had geopperd dat water de oerstof was, beweerde zijn leerling Anaximander dat een abstract en onbepaald principe (het ‘apeiron’) dit was. Vervolgens stelden latere filosofen weer dat de oerstof begrepen kon worden als respectievelijk lucht, water, aarde, vuur of de krachten van liefde en haat. Hoewel de vraag naar de oerstof typerend is voor de vroegste periode van de westerse filosofie, is verschil van mening hét kenmerk gebleven. Voor sommigen is dit onvermogen om tot eenduidig en sluitende antwoorden te komen op fundamentele vragen, de reden om filosofie tot een nutteloze aangelegenheid te bestempelen.

Echter, Socrates stelde dat juist dit menselijk onvermogen om de definitieve waarheid te achterhalen (door hem kernachtig verwoord als ‘ík weet dat ik niets weet’) aan de basis ligt van de liefde voor, en het verlangen naar wijsheid. We spreken niet voor niets over ‘wijsbegeerte’. Juist het besef dat tot nog toe niemand een feilloos antwoord heeft kunnen geven op fundamentele vragen, maakt dat wij blijven nadenken en erover met elkaar in gesprek blijven.

Toch is het niet zo dat mensen volstrekt onwetend zijn over, bijvoorbeeld, ‘wat is het goede?’: wat zij erover menen te weten, snijdt vaak wel degelijk hout. Dat kan omdat de mens een wezen is dat het midden houdt tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’. De dialoogvorm, die Plato gebruikte om de ideeën van zijn leermeester Socrates bekend te maken, is dan ook bij uitstek geschikt om te laten zien dat de meningen van mensen perfect noch waardeloos zijn.

Daarom is het goed om kennis te blijven nemen van de filosofie én tegelijkertijd zelf na te denken. Niet alleen de filosofie van Socrates, Plato en anderen, maar de gehele geschiedenis van de filosofie is als het ware één groot gesprek tussen vele generaties wijsgerigen. Ieder bekijkt de vraagstukken vanuit z’n eigen tijd, context en invalshoek en dat biedt al met al een breed wijsgerig perspectief. Filosofen zijn in staat redeneringen en argumenten aan te reiken, die niet direct voor de hand liggen. Dat kan overkomen als tweespalt tussen filosofen, want wat filosoof A beweert is niet altijd te rijmen met wat filosoof B erover zegt. Ze kunnen niet beiden gelijk hebben? Of misschien toch wel? In ieder geval moet je dan zelf nadenken, al is het maar over de vraag welke filosoof jou het meeste aanspreekt.

Er is troost: na kennis te hebben genomen van de kennelijk strijdige filosofische argumenten, is er een goede kans dat je meer inzicht hebt gekregen. Want hoezeer filosofen ook van mening verschillen, over één ding zijn zij het zeker eens: het is beter om over vraagstukken zelf na te denken, dan om dat niet te doen. Misschien is dat wel het eigenlijke nut van filosoferen.

Maart 2015

Sjaak Kloppenburg