Column: Lachen

Terugdenkend aan het filosofisch café in Sneek

Door Martien Schreurs

Universitair docent aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht

Op 23 januari ’18 hield ik in het filosofisch Café in Sneek (Zalencentrum De Walrus, Grote Kerkstraat 10) een lezing over de vraag hoe de spanningen of conflicten tussen mensen uit verschillende culturen bemiddeld of verzoend kunnen worden middels grappen. In mijn reflectie op de reacties van de toehoorders in de zaal stuit ik op een raadsel dat mij hoe langer hoe meer fascineert. Wat mij boeit, is de ambiguiteit van humor. Grappen zijn alleen binnen een bepaalde context te begrijpen en daarin gelden stilzwijgende afspraken. Als je de grap in een andere context herhaalt, dan blijkt er vaak niet of heel anders op gereageerd te worden. En hoe vaak zien we niet dat grappen het tegenovergestelde effect hebben van datgene wat ermee beoogd wordt?

Hier refereer ik aan het extreme geweld waarmee gereageerd werd op de cartoons van de profeet Mohammed die eerst in september 2005 in Jylands-Posten en later in 2015 in het satirische tijdschrift Charlie Hebdo gepubliceerd werden. Als er ooit van harte gelachen is om deze cartoons, dan is het lachen ons nu wel vergaan. Na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo zullen er geen cartoons van Mohammed gepubliceerd worden. In de tien jaren tussen 2005 en 2015 braken wij ons hoofd over de vraag waarom orthodoxe moslims zo veel aanstoot namen aan cartoons van hun profeet. Voor hedendaagse westerlingen is die woede moeilijk invoelbaar, want wij zijn gewend geraakt aan keiharde satire op het Christendom. Ook gaan we er bijna vanzelfsprekend vanuit dat satire louterend werkt. Als we om onszelf kunnen lachen, dan staan we open voor kritiek en relativering. Mijn filosofiedocent Cornelis Verhoeven zei ooit tegen mij dat scherts bedoeld is om de ernst te redden. In lijn hiermee kan de stelling verdedigd worden dat grappen over godsbeelden juist bedoeld zijn om aan het wonder van de religieuze ervaring recht te doen. Zo kan het de bedoeling zijn van satirici om de erfenis van de profeet te bevrijden uit de machtsgreep van fanatici. Door die drogbeelden van de profeet te ridiculiseren, kan de religie zelf in tact blijven.

Vanaf Aristoteles tot op heden hebben tal van invloedrijke filosofen zich met het vraagstuk van het komische bezig gehouden. Zie in dit verband het mooie essay van William Desmond over het tragische en het komische. Telkens wanneer de filosofen te zeker worden van hun eigen waarheidsclaims staan de blijspeldichters en satirici op die gaten schieten in die denksystemen. Een van meest invloedrijke filosofische visies op het komische is ontwikkeld door Henri Bergson die in zijn boek Le rire (het lachen) uit 1900 een poging deed om te uit te leggen waarom wij om een grap moeten lachen. Zijn filosofische theorie over het lachen is mijns inziens bruikbaar om de huidige discussie over de cartoons van Mohammed te duiden. Maar eerst wil ik in navolging van Bergson antwoord geven op de vraag waarom wij eigenlijk lachen.

Volgens Bergson schieten wij in de lach wanneer een bepaalde uitspraak of een specifiek gedrag niet congruent is met de situatie. Komische situaties ontstaan omdat mensen zich onhandig gedragen. Dit gebeurt wanneer wij routines blijven volgen of in automatismen vervallen, terwijl de situatie van ons vraagt om flexibel te reageren. Het is dus de verstarring of de gewoontevorming die lachwekkend is. In de grap wordt zichtbaar waarom die gewoontes niet passen bij de situatie. De grap laat dit zien en in die zin heeft de grap vaak een corrigerende werking. Door te lachen worden wij als het ware wakker geschud uit de sleur of de gedachteloze routines waarin wij verstrikt zijn geraakt. Dan voelen wij bij wijze van spreken hoe de stroom van het leven –Durée- door die sleur of gewoontevorming heen breekt. Dit is de reden waarom het lachen louterend werkt. Bergson verwoordt dit aldus: “Het komische is iets mechanisch dat vastgeplakt wordt op iets levends. Het komische is die kant van de persoon waardoor hij op een ding lijkt. Het drukt dus een individuele of collectieve onvolmaaktheid uit die vraagt om een onmiddellijke correctie. Het lachen brengt deze correctie aan.”

Deze duiding van het lachen is mijns inziens bruikbaar om te kunnen begrijpen wat de Deense cartoonisten bezield kan hebben toen zij in 2005 hun twaalf cartoons van Mohammed in Jylands-Posten publiceerden. In de cartoons van Mohammed wordt een starre verbeelding van het geloof –de aanslagen die in naam van Mohammed gepleegd worden- geplakt op de profeet zelf. Door Mohammed af te beelden als een zelfmoordterrorist –zie de veelbesproken cartoon van Kurt Westergaard-, worden de extremistische beelden van orthodoxe moslims geridiculiseerd. De “wake up call” die van deze cartoons van Mohammed uitgaat, bleek echter een tegenovergesteld effect te hebben. Er kwam een handelsembargo tegen Denemarken en er vielen doden.

Nu is de verleiding groot om deze gewelddadige reacties van extremistische moslims te begrijpen als een probleem van botsende vrijheden. Wij zijn eraan gewend geraakt om afwegingen te maken tussen de vrijheid van meningsuiting en religieuze vrijheid, maar dat is een manier van denken en beoordelen die vanuit een specifiek westers referentiekader ontwikkeld is. De vraag is of dit westerse referentiekader geschikt is om de uitwisseling tussen westerse en niet westerse cultuuruitingen te duiden. In mijn ogen lopen wij hier tegen grenzen aan.

Het is niet waar dat moslims geen gevoel voor humor hebben; zij hebben een ander gevoel voor humor. Het gaat in deze kwestie eerder om een botsing van verschillende humorregimes die teruggaat naar een botsing tussen culturen. Grappen over andere culturen zullen altijd als een wij versus zij tegenstelling geframed worden. Westerlingen maken grappen over moslims en zij stellen zich in die zin boven die andere cultuur. Wie grappen maakt over mensen uit andere culturen, zal altijd de verdenking over zichzelf afroepen dat hij die anderen belachelijk maakt. Hier is de superioriteitstheorie over humor van kracht. Ook Bergson stelt dat lachen altijd een vorm van uitlachen is: we moeten onze empathische gevoelens voor anderen uitschakelen om naar hartenlust om die anderen te kunnen lachen. Maar toch is deze uitleg eenzijdig. Hoe vaak zien we niet dat het ijs tussen mensen middels een grap gebroken wordt? Westerse cartoonisten kunnen bruggenbouwers tussen verschillende culturen worden wanneer zij tegelijk ook hun eigen cultuur op de hak nemen. Zelfspot kan ontwapenend werken. Hierin schuilt de verbindende werking van humor.

Een van de toehoorders in Sneek opperde in de plenaire discussie dat het beter is om een aparte ruimte te creëren in onze cultuur waarin vrijuit grappen kunnen worden gemaakt. Hij gaf het voorbeeld van de conference waarin stap voor stap naar een grap wordt toegewerkt. Dan weten we wat de bedoeling is. Wat de cartoons van Mohammed problematisch maakt, is dat ze zonder context of duiding de wereld rondgaan. De sociale media brengen die cartoons onbemiddeld over en zodoende kan iedereen daarmee op zijn eigen manier aan de haal gaan. Dus creëer een aparte plaats voor de grappenmaker, want dan weten we duidelijk waar we aan toe zijn. Maar de humor laat zich niet op deze manier apart zetten en dat is maar goed ook. De cartoonist moet goede afwegingen kunnen maken en daaraan lijkt het tot op heden te ontbreken.

Maar het lachen verliest zijn corrigerende functie in de samenleving wanneer de grappenmaker in een bepaalde vrijplaats –het theater- wordt “opgesloten”. Een grap kan pas tot constructieve ontregeling leiden wanneer het niet duidelijk is of het wel grappig bedoeld is. Het voorbeeld van de Griekse oudheid laat zien dat het komische juist midden in de samenleving moet staan, maar daarmee zijn wel risico’s verbonden. Zoals de cabaretier Freek de Jonge ooit zei: “Als de koning depressief is, moet de nar op zijn woorden letten, maar als de nar depressief is, gaat zijn kop eraf.” Cartoonisten lopen risico’s, maar die risico’s kunnen niet van bovenaf gereguleerd worden. Wie voor de grappenmaker een vrijplaats opeist, claimt eigenlijk dat grappen vrijblijvend moeten blijven.

Nieuwsbrief December 2017

‘Woorden mogen alleen dienen om de stilte te verbeteren.’

Het Filosofisch Café Sneek wenst u een luister-rijk 2018!

 Graag presenteren we u een vooruitblik op ons programma voor het komende half jaar:

 Over grappen en grenzen – 23 Januari: Martien Schreurs

Soms lijkt het alsof er geen grenzen bestaan voor de grappen die dagelijks over autoriteiten gemaakt worden. Die grappen kunnen niet hard genoeg zijn. Wij zijn hieraan gewend geraakt en we kunnen ons moeilijk voorstellen dat het ook anders kan zijn. Probeer maar eens aan hedendaagse jongeren uit te leggen dat Willem Frederik Hermans en Gerard Reve in 1951 en in 1967 voor de rechter moesten verschijnen, omdat er in hun romans passages stonden waaraan gelovigen aanstoot hadden genomen. Hermans en Reve kwamen als morele winnaars uit de strijd, omdat zij de geniale vertolkers waren van het verlangen naar vrijheid dat steeds wijder verbreid raakte in de westerse wereld. Rond de millenniumwisseling leek dit gevoel van vrijheid grenzeloos te zijn. Hoe wreed werden wij in de ochtend van 11 september 2001 uit die droom wakker geschud! Er had al een alarmbel af moeten gaan toen Salman Rushdie op 14 februari van het jaar 1989 met de dood bedreigd werd, omdat er in zijn roman The Satanic Verses passages stonden waarin de spot gedreven werd met de profeet Mohammed. De fatwa over Rushdie, de moord op Theo van Gogh, de Deense cartoonrellen en de aanslag op Charlie Hebdo zijn gebeurtenissen die niet meer weg te denken zijn in het beeld dat wij ons van het heden en de toekomst vormen. Paradoxaal genoeg heeft de verschuiving van lokaliteit naar globaliteit er juist toe geleid dat er van alle kanten nieuwe grenzen opdoemen. Die grenzen worden vooral voelbaar wanneer er grappen over de profeet Mohammed gemaakt worden.

Martien Schreurs is filosofiedocent aan de Universiteit voor Humanistiek. In zijn lezing zal hij zich afvragen waarom grappen, die bedoeld zijn om ontspanning te brengen, zo vaak tot escalatie leiden. En is het ook mogelijk om grappen over elkaar te maken die juist tot nieuwe vormen van verbinding leiden?

Joodser dan dit krijgt u het niet – 13 maart: Tamarah Benima

Rabbijn Tamarah Benima (1950, Amsterdam) is rabbijn van drie joodse gemeenten: de Progressief Joodse Gemeente Noord-Nederland, de Liberaal-Joodse Gemeente Friesland, en de onafhankelijke joodse gemeente Beit HaChidush te Amsterdam. Daarnaast is zijn journalist, columnist en commentator (radio en tv). Ze is o.a. columniste van het Friesch Dagblad. In 2015 publiceerde zij haar derde boek: Joodser dan dit krijgt u het niet. De levenskunst van de Joodse Beschaving. Haar lezing zal gebaseerd zijn op dit boek.

Heerlijk Hedonisme – 17 april: Ronald Hünneman

Wat wij hedonisten, aldus Ronald Hünneman, gemeenschappelijk hebben is dat we denken dateen mensenleven geen zin krijgt door een goddelijke verordening of door abstracte principes. Wij vinden dat het in het leven draait om genot. We hebben een filosofische afkeer van ethisch opvattingen waarin genot wordt gezien als iets laags dat beter vervangen kan worden door begrippen zoals ‘geluk’, een ‘betekenisvol leven’ of het ‘goede’.

Maar hiermee is niet alles gezegd, en zijn nog lang niet alle vragen beantwoord. Dat komt onder meer doordat van hedonisme nogal eens een karikatuur wordt gemaakt, en ‘hedonisme’ tot schimpwoord wordt. Zo beschrijft de journalist H.J.A. Hofland hedonisme simpelweg als: “Hier! Nu! Veel! En lekker!”. Daarmee verdwijnt het onderscheid tussen mensen die gedachteloos pakken wat ze pakken kunnen, en hedonisten die op een doordachte wijze genot in mensenlevens centraal stellen.

Daarom in deze lezing een bredere, of zo je wilt genuanceerdere, blik op onze hedonistische levensstijl. Daarmee zal duidelijk worden dat hedonisme noch gedachteloos, noch domweg mateloos is. Tegelijkertijd zullen woorden als ‘duurzaamheid’, ‘geluk’ en ‘het goede leven’ in een ander licht verschijnen.

Na afloop is het door Ronald Hünneman geschreven boekje “Aphroditisch Hedonisme” verkrijgbaar.

De bijeenkomsten worden gehouden in Zalencentrum de Walrus, Grote Kerkstraat 10 Sneek. Entree € 7,50 – We starten om 20.00 uur.

 

Column: PLUK EEN ROOS

“Flikker op man, ik woon zelf in “de Baarsjes”. Dit zinnetje zou, naast de Ajaxsupportertjes die nog in hun pyjamaatjes naar Sesamstraat keken toen hij al een seizoenkaart had, het lievelingscitaat worden van de programmamakers rond het overlijden van de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan. Natuurlijk vanwege de onparlementaire krachtterm, uit de mond van een (latere) edelachtbare. En omdat “flikker op man” lekker bekt.

Maar ook om iets anders. Van der Laan doet hier iets wat, bij alle getob over de crisis in de parlementaire democratie/ de kloof tussen burger en politiek/ de communicatie tussen overheid en burger ( enfin, vul verder zelf maar in) een interessante richtingwijzer biedt: hij spreekt een Boze burger tegen.

De programmamakers lieten steeds weer verlekkerd Het “flikker op, man” van de burgemeester zien, maar wat daaraan vooraf ging was ongetwijfeld geschreeuw dat hij makkelijk praten had over de problemen van deze buurt omdat hij natuurlijk in de grachtengordel woonde. Van der Laan liet zich niet op deze manier framen als salon-socialist en zette de Boze schreeuwer publiekelijk neer als loze praatjesmaker.

Dat zijn we niet meer gewend. De meest gangbare reactie van politici is dat ze wat meebuigen. Zeggen dat de criticus “zeker een punt heeft”, dat ze zich dat aantrekken en “zullen meenemen”. Ze kunnen zich van alles “heel goed voorstellen” etc. Wegens slappe knieën of uit onvermogen wellicht het eigen standpunt te verwoorden laten ze de “Boze Nederlander” onweersproken en verlenen hem daardoor status. Ik kwam hem laatst zelfs tegen in de prestigieuze Schoo-lezing. Hij lijkt zich als politieke oriëntatiebron een officiële plaats te hebben verworven. Wie zou het zijn? Bestaat-ie wel? Misschien weet Maxima – die ons ook al eens uit de brand hielp toen we wilden weten wie “ de “ Nederlander was – ons wel te vertellen dat ook deze niet bestaat.

Er zijn ongetwijfeld mensen die tussen de wielen van onze maatschappij zijn geraakt, op een manier die je razend maakt. Het is overigens sterk de vraag –als ik zo zie wat voor types er in de media langstrekken – of dat bovenstaande categorie wel is. Zouden ze echt boos zijn of hebben ze in de sociale media gelezen dat ze dat zijn? Zou je in de feitenvrije politiek en journalistiek soms ook “op afroep “ boos kunnen worden?

Iemand die op “safari” wil in een wijk met andersdenkenden is natuurlijk niet zozeer boos – die is boosaardig. Er zijn er ook bij die je, als je ze aan de hekken ziet sleuren bij een gemeenteraadsvergadering waar ze over noodhuisvesting van vluchtelingen praten, zou willen vragen:”weet je moeder wel dat je hier loopt te schreeuwen tegen de vluchtelingen en weet je ongeveer wat dat zijn?

Kortom: gewone klieren en saggerijnen, verongelijkten en slechtgehumeurden zijn er altijd al geweest. Met ze meepraten, helpt politici niet. Daar worden boze mensen alleen maar wantrouwiger en kwaaier van. Tegenspreken! Daar zitten veel mensen op te wachten. Zoals van der Laan deed. Hij is er alleen maar geliefder door geworden.

En voor de rest op tijd uitlachen. Als mijn broertje vroeger de bokkenpruik op had zongen wij:

Ben je boos?

Pluk een roos!

Zet hem op je hoed,

Dan ben je morgen weer goed!

Het werkte.

 

Siebold Hartkamp

Column: Geluk en zin…

In ons eerste filosofische café van dit seizoen betoogde Menno de Bree dat werk ons niet gelukkig kan maken. Om dit kracht bij te zetten leidde hij ons met een van humor doorspekte en volstrekt logische redenering naar de conclusie dat het leven geen zin heeft. Overigens bespraken we dit met elkaar in een opperbeste stemming. Mij leken veel aanwezigen, inclusief Menno zelf, redelijk gelukkig met hun bestaan. Dat het leven geen zin heeft, leek daar niet zo veel aan te veranderen. Hebben die twee dan wel iets met elkaar te maken?

Op de vraag of ik gelukkig ben, zou ik niet zomaar een antwoord kunnen geven. Zeggen dat je gelukkig bent is net zoiets als zeggen dat je door een groen landschap loopt, terwijl je wel vijftig tinten groen waarneemt. Het leven op deze algemene manier samenvatten haalt de diepte uit onze waarneming volgens mij.

Ons felbegeerde geluk kan eigenlijk niet met zo’n logische en cerebrale benadering behandeld worden, denk ik. Het weekend na ons café las ik een artikel over geluk van Rik Torfs in de zaterdagbijlage van de Trouw. Hij beschrijft daarin een ervaring van Marcel Proust in ‘Contre Saint-Beuve’. De schrijver steekt met vrienden een geplaveide binnenplaats over waarbij zijn blik valt op de oneffen glimmende stenen. Opeens overvalt hem een overweldigend en onverklaarbaar geluksgevoel. In de aanblik van de geplaveide stenen beleeft hij een eerdere ervaring, een herinnering. Proust noemt dit ‘resurrection’…. verrijzenis. Bij die verrijzenis is het gevoel zuiverder dan het moment van de ervaring zelf, want die was vluchtig tussen vele andere gewaarwordingen in. Proust: ‘Niet alleen is het verstand van geen nut bij dit soort verrijzenissen, bovendien worden zulke momenten alleen zichtbaar in voorwerpen waar het verstand nooit heeft geprobeerd hen op te sluiten.’

We raken hier heel subtiele en moeilijk te verwoorden ervaringen. Ik moest denken aan ‘het numineuze’ waar theoloog en schrijver Tjeu van de Berk een mooi boek over heeft geschreven. Het overkomt je. Je dwingt het niet af en als je dat wilt, bv door een logisch beredeneerde levensbeschouwing, ontglipt het je. Ook het woord ‘geluk’ dekt de lading hier niet. Soms is de ervaring eerder huiveringwekkend. De poëzie vangt dit beter dan de filosofie omdat ze met paradoxen kan leven.

Geluk is geen conclusie. Het is een aspect van ons bestaan dat we ook zo weer wegblazen. Geluk sluimert in onze herinneringen, in de kunst, in een simpel stilstaan bij een voorwerp. Vlinderachtig. Niet te vangen. Het kan opbloeien als een zaadje dat al tijden ongebruikt in de grond ligt en opeens tot leven komt. Ons leven zit vol met deze potenties waar we even zo vaak aan voorbij leven. Het kan zomaar ‘verrijzen’ uit onze dagelijkse sleur. Tja, het leven is misschien ‘zinloos’ maar voor mij daardoor niet minder waard om geleefd te worden.

 

Rien van der Zeijden

 

Column 18 Vakantie is ook filosoferen

De vakantietijd is bijna al weer voorbij en we maken ons weer op voor het oppakken van de routine die door veel mensen even wordt losgelaten. Het lijkt net of in de zomermaanden het leven even kalmer aan geleefd wordt. Zo worden in de zomer ook veel vakanties gepland: er even tussen uit. Waar tussenuit?

Als de vakantie bedoeld is om uit de sleur te komen, je te laven aan de zon en het exotische ver weg, zodat je alles even los kunt laten, lukt dat dan ook? Helaas vinden we niet altijd wat we ver weg menen te zoeken. Het paradijs blijkt toch niet zo paradijselijk te zijn, want zon en zee zijn wel mooi, maar eigenlijk verveel je je en komen de problemen die je gehoopt had thuis te laten ook hier weer voor het licht. Je kun niet op vakantie gaan zonder jezelf thuis te laten. Sterker nog, op vakantie ben je vaak meer zelfbewust dan in de sleur van alledag. Juist omdat de sleur ontbreekt, kun je je richten op jezelf en is het te warm of te koud, is het net niet comfortabel genoeg, zijn we vermoeidheid, heb je last van heimwee, ofwel je zit jezelf in de weg.

Reizen is volgens Alain de Botton een levenskunst die niet iedereen beheerst. Het plannen van een vakantie is een vorm van praktische filosofie. Niet blindelings de brochures volgen en vertrouwen op het paradijs dat zij beloven, maar bewust reizen en bij de voorbereiding jezelf afvragen ‘wat zoek ik en heeft het landschap mij dat te bieden en zo ja, hoe vind ik dat daar?’ Je zou dan zomaar het paradijs in Friesland kunnen vinden. Beheerst u die levenskunst al?

Anna Riemersma

Column 17 De Wachter

Kent u dat? Dat activiteit-loze staren uit je raam? Vorige week was het er weer. Het is geen mediteren. Geen ‘verdiende rust’. Geen voldaan gevoel. Het heeft zelfs een licht paniekerige ondertoon. Ik moet aan ‘iets nieuws’ beginnen. Mijn leven ‘moet’ betekenis hebben. Straks is er weer die receptie, die netwerkborrel, die vraag waar ik mee bezig ben..

Nynke Laverman heeft in onvertaalbaar mooi poëtisch Fries een lied over De Wachter geschreven. Op Oerol maakte ze er een onvergetelijke voorstelling van. Onverwacht zal het komen, zingt ze, onverwacht. En even later: ik ben de wachter vergeten. De wachter in mezelf….verraden….in de hoek gesmeten.

Waar wacht ik op? Wie en wat laat ik voorbijgaan? Waarom blijf ik maar zitten? Ben ik depressief? Waarom glijden de credo’s van deze tijd opeens als water van mijn rug af: ‘beweeg.. verander..je hebt het zelf in de hand..!’ Er komt een moment dat je dit niet meer gelooft. Maar het uit zich in een wankelbaar wachten, een verlangen naar een dieper niveau.

Unferwachts

sil it komme

Unferwachts

Dan komen de stemmen. Elke wachter kent ze. De vernietigende kracht van het oordeel dat zich naar binnen keert. De anderen zijn succesvol. Jij mist iets. Ze vertellen het je niet. Je zit hier maar zinloos te staren. Oordelen zijn als giftige dampen. Op zijn best zijn het snel voorbijdrijvende wolken die beter weer voorspellen. Of toch niet?

Unferwachts

sil it komme

Unferwachts

Blijf zitten en wacht tot het komt. Tot je gloeit van binnen. Tot je gevuld wordt met schoonheid. Weersta de verleiding van het surrogaat. Sluit geen compromis. Hoed je voor de schijnbeweging, de luchtspiegelingen die de actie veroorzaakt. Zit stil en kijk naar je innerlijk als een visser naar zijn dobber. Versterf in je aandacht, vereenzaam in je alertheid. Niets leid je af. Je bent bereid niets te worden.

Wês wach

Wês wachter

Wachter yn ferwûndering

Wachter yn bysûndering

Dan, toch nog onverwacht, staat de wachter in mij op. Is er iets veranderd? Hoe weet hij dat het gekomen is? Wie stuurt hem? Hij vult zijn longen met de nieuwe lucht en gaat zijn eigen weg. In volmaakte  vanzelfsprekendheid.

Rien van der Zeijden

Column 16 Gelukkig nieuwjaar?

Januari al weer. Een nieuwe maand, een nieuw jaar en de tijd van de nieuwjaarswens. We wensen elkaar veel toe: gezondheid, mooie momenten, rust, blijdschap, succes, zorgzaamheid, blijheid en vooral geluk. Maar wat betekent dat eigenlijk? Wat wens je de ander toe als je hem geluk wenst?

Als je mensen vraagt wat hen gelukkig maakt, zijn de antwoorden vaak de liefde van de mensen om je heen, dat het goed gaat met je kinderen, dat je lekker in je vel zit, dat het goed op je werk of school gaat, het één zijn met de natuur. Dit zijn echter allemaal voorbeelden van momenten van geluk en misschien wel belangrijker: ze zijn allemaal subjectief. Op deze manier bekeken is een gelukswens inhoudsloos, zolang je er geen persoonlijke boodschap bijvoegt. Ik wens je veel gelukkige momenten met je wandelingen in de bossen! Hiermee geef je niet alleen inhoud aan geluk, maar geef je ook aan de ander te kennen en erkennen.

Kan er wel een objectieve definitie van geluk worden gegeven? Aristoteles stelt dat een mens pas gelukkig kan zijn als zijn leven gelukt is. Gelukt in de zin van het optimaal functioneren van de rede dat het karakter heeft van filosofische beschouwingen. Kunnen dan alleen filosofen gelukkig zijn? Het zou zo maar kunnen, want het mooie is dat er in ieder van ons een filosoof schuilt. Soms komt de filosoof in ons naar voren als we vragen stellen, als we verwondert zijn en als we de gegeven antwoorden niet zomaar accepteren. Laat die filosoof in u vaker naar voren komen en dan kunt u zeggen dat u dit jaar een stap heeft gezet naar een gelukt leven. Wie weet wordt u zelfs gelukkig.

Ik wens u in 2017 vele gelukkige momenten met de wijsgerige activiteiten!

Anna Riemerma

Column 15: Voorzichtig, breekbaar!

Er wordt heel wat afgefilosofeerd, gediscussieerd, – geschreven, -getobt en –gezeurd over ons parlementair democratisch systeem. Dat mag ook best: het is er belangrijk genoeg voor. Mondiaal gezien is het een schaars goed dan wel een jong en teer plantje.

Wij kunnen bij verkiezingen vrijuit en onbespied uit een scala van politieke programma’s kiezen, we hebben een kieswet die nog dikker is dan de grondwet zelf en die garandeert dat het eerlijk toegaat – dat zit allemaal wel snor tot en met de kwaliteit van het rode potlood.

Maar dit alles gaat er wel stilzwijgend van uit dat er partijen zijn. Dat zijn verenigingen van mensen die goeddeels hetzelfde willen met de samenleving, die beginsel- en actieprogramma’s maken, geschikte mensen zoeken om kandidaat te stellen en die dat hele circus verder regelen. Dat doen vrijwilligers. Zeg maar: de mantelzorgers van onze democratie.

Daar zit wel de Achillespees. Want functioneren die clubs nog wel? Hoe representatief zijn ze? Er zijn er bij die je niet zou oprichten als ze er niet al waren; er zijn er ook bij waarvan je je afvraagt of ze zich niet wat slordig melden als “Politieke Partij” omdat niet direct helder is wat ze nu eigenlijk toevoegen en namens wie.

Er zijn maar weinig burgers lid van een politieke partij. Bij gemeentelijke verkiezingen spelen lokale partijen, zich profilerend met een enkel item een flinke rol. Andere methoden van raadpleging van de burgers komen op: directe democratie, waarbij niet de volksvertegenwoordiging, maar de massaliteit van kiezers besluiten neemt op ja/nee vragen. Er loopt nu zelfs een grapjas rond die wel vier keer per jaar referenda zou willen houden. Dat kon wel eens heel anders door de burger worden beleefd. Die moet voor gemeente, provincie, waterschap, parlement en Europa toch al vijf keer in vier jaar opdraven –nog afgezien van tussentijdse extra verkiezingen bij een crisis. Als daar nog allerlei referenda bijkomen konden “hardwerkende” kiezers wel eens zeggen: jongens, we geven jullie 1x per 4 jaar mandaat en jullie doen verder je best maar. Wij komen niet voor ieder akkevietje opdraven. Daar hebben we jullie voor ingehuurd. Wij blijven niet aan de gang. “Kiesmoeheid” heet dat en tenslotte blijven burgers meer en meer weg bij “echte” verkiezingen.

Bij de laatste twee referenda (over Ukraïne en Brexit) merkte de kiezer al gauw dat je in de politiek meer smaken nodig hebt dan ja en nee. Velen kregen achteraf pas scherp waar ze precies voor of tegen waren geweest.

In het streven burgers rechtstreeks bij de politieke besluitvorming te bereiken is ook de “lottocratie” bepleit – een systeem waarbij loting bepaalt welke burgers deelnemen aan de besluitvorming.

Het is goed om naast het kiesrecht methoden te ontwikkelen om bij de voorbereiding of uitvoering van het beleid uit te vogelen wat de burgers belangrijk vinden. Er is van alles op die markt: Inspraakavonden, adviesraden, wijkpanels, buurtonderzoek, open huizen, internetpanels, en professioneel marktonderzoek.

Als maar helder is wat besluitvorming is en wat raadpleging. Zodra iemand iets over mij besluit wil ik hem namelijk verantwoording kunnen vragen. Dat is de kern van de democratie: geen macht zonder verantwoording.

Het lijkt me namelijk geen geslaagd idee dat de cassiere van mijn buurtsuper (een hele goede overigens) de ratificatie van internationale verdragen voorgelegd krijgt. En als ik mijn auto naar de garage breng voor een reparatie, heb ik ook liever niet dat degene die hem gaat repareren bij loting uit het personeel wordt aangewezen: voor een veilige bestuurbaarheid van mijn auto heb ik liever een ervaren monteur dan een prima boekhouder. Dat geldt evenzo voor de bestuurbaarheid van mijn gemeente. Ieder zijn vak.

Pimp the good old inspraak maar. Die kan best beter. Maar tast ons –nog oudere- stelsel van democratische verantwoordelijkheden niet aan. Die is daar te belangrijk voor.

Hartkamp

Column 14: filosoferen is….

Kortgeleden liep ik de Berenloop en de Elfsteden, nu kijk ik vanuit de kamer naar de blauwe lucht en de wegtrekkende, witgrijze stapelwolken. De horizon is onverwacht dichtbij gekomen.
Filosoferen is leren te sterven, zei Cicero en Montaigne zegt hem dat na. Door te filosoferen kunnen we de dood zijn vreemdheid ontnemen en aan hem wennen. Wij moderne mensen hebben de neiging de dood te negeren en gaan daardoor teveel gebukt onder zinloze doodsangst. Filosoferen vermindert die angst en brengt soms zelfs inspirerende en fraaie inzichten met zich mee. En zowaar gelukkige momenten.
De kracht komt langzaam terug. Berenloop en Elfsteden zet ik uit mijn hoofd, maar bedachtzaam lopen lukt wel weer. Ja, ik filosofeer elke dag, juist nu…
09-2016
Sjaak Kloppenburg
 
dsc02560

Column 13: De wet als ethisch minimum

“Je hoort de grenzen van de wet niet op te zoeken:” Het was een schijnbaar achteloos, half over de schouder tegen een achtervolgende microfoon uitgesproken, zinnetje van een glimlachende minister Deysselbloem. Meer hoorde en zag ik ook niet – ik had middenin een nieuwsflard ingeschakeld – maar ik merkte dat het zinnetje me beviel.

Een eenvoudig zinnetje, jawel, maar in feite stelde hij op zijn bekende, wat minzaam-droogkloterige, wijze een even fundamenteel als actueel thema aan de orde: de verhouding tussen wet en ethiek, tussen wat “mag” en wat “hoort”, tussen wat legaal is en wat correct is.

Als eerstejaars student volgden we een college rechtsfilosofie bij een briljant hoogleraar die een eigen wijsgerige systematiek had ontwikkeld. Wij waren deels te dom en grotendeels te oppervlakkig voor zijn wijsbegeerte. Wij durfden zelfs geen vraag te stellen als wij iets niet begrepen omdat wij dan het risico liepen te moeten uitleggen wát wij niet begrepen.

Eén bouwsteen van zijn denken landde evenwel definitief bij mij: de hiërarchie van denken. Zijn leer kende een uitgewerkt systeem van volgorde der disciplines, de biologische, natuurkundige, wiskundige, economische etc. Het juridische, en dat verraste mij natuurlijk in het geheel niet, stond hoog op de ladder genoteerd. Maar daarboven stond nog de ethiek. Met de wet, zo begreep ik wel, begon het pas.

Het was bovendien nog ingewikkelder: met de letter van de wet was je er nog niet. “Summa jus summa iniuria est” – de hoogste consequentie kon immers tot de duivel leiden. Je moest, anders dan de letterknechten en de overactieve politieagenten, eerst goed de geest van de wet proeven, voor je hem toepaste.

Zeker, er waren andere geluiden over de verhouding wet en moraal. Je mocht niet stelen, vond vrijwel ieder. Je mocht misschien dan wel niet stelen, maar je mocht vooral niet betrapt worden, vonden de inbrekers en de zwartrijders. . Als vrijwel iedereen het doet, is het lang zo erg niet, vonden de fietsendieven en de zwartwerkers. De Amsterdamse filosoof Johannes Cruyff (Betondorp, 1947) bracht nog de verfijning aan dat je in ieder geval geen dief mocht zijn van je eigen portemonnee.

De grootste groep bleek echter die van de legalistische minimumlijders: het deugt, want het is immers niet verboden. Het geciteerde zinnetje van Deysselbloem slaat kennelijk op die groep. Ik heb de rest van het verhaal niet gehoord maar het zal ongetwijfeld over de hoogte van de inkomens bij sommige banken zijn gegaan, waarbij de laatsten zich er pruilend op beriepen dat ze toch binnen de wet handelden.

De wet als ethisch minimum: “Je hoort de grenzen van de wet niet op te zoeken” zegt de minister minzaam en geeft de bankiers daarmee een ontluisterende draai om hun oren; hij zet ze eigenlijk neer als ordinaire scharrelaars, kleine knoeiers. Wie de grenzen van de wet op zoekt, loopt er moreel de kantjes bij af.

Ik ben geen geschoolde filoloog, maar ethiek en etiquette, zou dat soms familie van elkaar zijn?

Siebold Hartkamp